Om te begrijpen waarom radiologen deze interventies uitvoeren, moeten we teruggaan naar de geschiedenis van de radiologie. De X-stralen, die we gebruiken om röntgenfoto’s van het lichaam te maken, werden ontdekt door Wilhelm Röntgen in het jaar 1895. We gebruiken deze stralen nog steeds om beelden van het lichaam te maken, bijvoorbeeld als iemand een bot breekt. Al snel ontdekte men dat deze stralen ook konden helpen bij het opsporen van ziektes. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden X-stralen bijvoorbeeld veel gebruikt om schrapnel en kogels in het lichaam van gewonde soldaten te detecteren.
Uiteindelijk leidde dit tot de ontwikkeling van een aparte specialisatie in de geneeskunde, omdat zowel het maken als het interpreteren van deze opnamen erg complex bleek te zijn. In de loop der tijd ontdekten radiologen ook contrastmiddelen: vloeistoffen die zichtbaar zijn op X-stralenfoto’s, en begon men zo ziektes op een meer gedetailleerde manier in beeld te brengen. Dit gebeurde bijvoorbeeld door patiënten contrastmiddelen te laten slikken of deze in bloedvaten en lichaamsholtes te injecteren, gevolgd door het maken van röntgenfoto’s om diagnoses te stellen. Een belangrijke ontwikkeling was de fluoroscopie, waarmee bewegende beelden konden worden vastgelegd door meerdere röntgenfoto’s snel achter elkaar te maken.
Een andere grote doorbraak was de angiografie, een techniek waarmee bloedvaten in beeld werden gebracht door met buisjes doorheen de bloedvaten te navigeren en contrastmiddelen in te spuiten. Dit bood enorm veel nieuwe mogelijkheden voor het detecteren van ziektes via de bloedvaten. Vóór de opkomst van andere beeldvormingstechnieken waren deze röntgenfoto’s, fluoroscopie en angiografie de belangrijkste manieren waarop radiologen ziektes in beeld brachten.
Na verloop van tijd werden echter nieuwe beeldvormingstechnieken ontwikkeld, zoals de echografie in 1956, de CT-scanner in 1972 en de MRI-scanner in 1977. De injectie van contrastmiddelen werd aanzienlijk gemakkelijker gemaakt door pompsystemen. Deze geavanceerde machines vereisten minder ingewikkelde of risicovolle ingrepen, waardoor ze een groot deel van het oorspronkelijke werk van radiologen overnamen. Hierdoor verschoof de rol van de radioloog steeds meer naar het interpreteren van beelden, hoewel traditionele röntgenfoto’s, fluoroscopie en angiografie tot op vandaag een belangrijke rol binnen de radiologie behouden.
Er ontstond uit de originele meer invasieve technieken een nieuwe specialisatie binnen de radiologie die zich steeds meer richtte op het oplossen van medische problemen in plaats van alleen het in beeld brengen ervan. De ontwikkeling van geavanceerdere katheters maakte het mogelijk om elk buisvormig orgaan (zoals bloedvaten, lymfevaten, galwegen, enz.) te bereiken en lokale therapie te bieden. Ook op de nieuwe beeldvormingstechnieken werden innovatieve interventies ontwikkeld; echogeleide en CT- of MR-geleide procedures.
Sommige van de oorspronkelijke procedures die door radiologen werden uitgevoerd, werden later overgenomen door andere medische specialismen. Een bekend voorbeeld zijn de transvaginale- en zwangerschapsechografieën, die in België door gynaecologen worden uitgevoerd. Een voorbeeld van een interventionele procedure is een coronarografie (interventionele gerichte contrastinjectie in de kransslagaders van het hart) , welke in België door cardiologen worden uitgevoerd.